Onderdelen

Molentaal

de communicatie van de molen

Onder andere door de wieken van zijn molen in een bepaalde stand te brengen communiceert de molenaar met zijn omgeving.

Molentaal wordt onder meer tot uitdrukking gebracht door de wieken van een molen in een bepaalde stand te brengen. Iedere streek van ons land heeft zijn eigen molentaal, al zijn verschillende onderdelen daarvan in de meeste gebiedsdelen gelijk.

Het in een bepaalde stand zetten van de wieken wordt aangeduid als algemene molentaal. Dan is er sprake van geboorte, ondertrouw of huwelijk, algemene feesten, processie, kermis, overlijden of begrafenis. Bij die gelegenheden wordt de molen ‘in de vreugd’ of ‘in de rouw’gezet.

Bij heugelijke feiten – in de vreugd dus - worden de wieken komend geplaatst. Daartoe draait de onderste wiek tot even vóór het midden van de molenromp. Bij droevige gebeurtenissen worden de wieken gaand of in de rouw gezet, dat wil zeggen dat de onderste roede even voorbij het midden wordt gedraaid.

Naast de algemene bestaat ook de bijzondere molentaal. Dat is het persoonlijke contact van de molenaar met een bepaalde persoon of met omwonenden. Meestal gebeurt dat met het spannen op een bepaalde, afgesproken wijze van de zeilen of het hangen van voorwerpen in de wieken. Denk aan het seinen of doorgeven van berichten in oorlogsomstandigheden. Dan zijn of waren er ook nog de gebruiksstanden. Standen die door de eeuwen heen op praktische gronden zijn toegepast. Ook hier kan de uitvoering van streek tot streek verschillen. 

De ruststand (in ‘t kruis (wijdbeens), ook overhek of overhoeks genoemd)
Na gedane arbeid wordt en werd de molen op zaterdagavond en de avond voor de feestdagen door de molenaar in deze stand gezet. Voor het onderhouden van de molen zou dat de beste stand zijn. Bij regenachtig weer kan het water van de roeden lopen, dat vooral bij de houten roeden in vroegere tijden van belang was. Bovendien was het de meest veilige stand tegen blikseminslag. Nu de molens van bliksemafleiders zijn voorzien, is de kruisstand als ruststand veelal vervangen door de rechtstand.
overhek

De stormstand (overhek)
Uit het begin van de 19de eeuw is een document bewaard gebleven, waaruit blijkt dat de molens in de Alblasserwaard en wellicht ook elders in de kruisstand gezet moesten worden. Daarmee wordt de kracht van de wind gelijkelijk over de toen houten wieken verdeeld.

De werkstand (rechtstand)
Het is een tijdelijke stand, waarbij de onderste wiek vóór het midden van de molenromp staat. Met deze stand geeft de molenaar aan dat hij zijn werk heeft gestopt en dat zo spoedig mogelijk zal hervatten.

Graanhonger (rechtstand of in ‘t kruis)
Een stand die in vroegere dagen is gebruikt door de molenaar om aan te geven dat hij zonder werk zat. Het zetten van de wieken verschilde van streek tot streek. 

Op de bil en hakscheef (verschillend, meestal gaand (rouwstand) of in ‘t kruis)

Als de molenaar het tijd vond om zijn stenen te scherpen (billen), dan zette hij zijn molen ‘op de bil’. In de wijde omgeving zagen de boeren en bakkers op deze wijze dat het geen zin had die dag naar de molen te gaan.

Document acties